Ik voel een even plotselinge als acute generatiekloof opkomen. De jongste is aan ’t gamen. ‘Hé, daar vliegt een fiets door de lucht!’ zeg ik, blij met wat houvast in een vijandige virtuele wereld. ‘Dat is een drone, pap’, zegt de jongste, met nauwelijks verholen minachting. Ach ja, natuurlijk. Een drone met wielen.

Even later is het selfie time. Dochterlief wil snapshots voor haar 100 happy moments op Instagram. De volgende ‘conversatie’ tussen dochter en zoon opgetekend, letterlijk, in die volgorde en zonder fatsoenlijke zinnen over boerenkoolstamppot of een wollen wambuis ertussendoor, zodat ik ook nog had kunnen meepraten: ‘Kom doen we een selfie.’ ‘Je moet me wel taggen hoor.’ ‘Maar dan moet je me wel liken.’ ‘Ik comment je wel.’
Nu snap ik waarom mensen vroeger de vijftig nauwelijks haalden. Volkomen nutteloos. De wereld is niet langer de jouwe, maar die van je nakomelingen. Zij als vissen in het water, jij stuiptrekkend en naar adem happend op het droge.
Nu snap ik waarom mensen vroeger de vijftig nauwelijks haalden. Volkomen nutteloos. De wereld is niet langer de jouwe, maar die van je nakomelingen. Zij als vissen in het water, jij stuiptrekkend en naar adem happend op het droge.

Hier een resultaat van het selfiefestijn. Vanzelfsprekend heeft de versie co-starring mijzelf het niet gehaald in de 100 happy moments. Dergelijke momenten zijn voorbehouden aan wie de toekomst heeft. Ik ken mijn plaats :-).